woensdag 3 oktober 2012

Ontslag

Vanavond vergaderden Provinciale Staten over het rapport van de onderzoekscommissie Procesgang Oostvaarderwold. Tijdens deze vergadering hebben mijn 3 collega gedeputeerden en ikzelf ontslag genomen. Voor dit moment zal ik me op deze plaats beperken tot de verklaring die ik namens het college van Gedeputeerde Staten mocht uitspreken. In een later stadium kom ik nog wel bij u terug.

Tot ziens.

Geachte voorzitter,


Graag maak ik van deze gelegenheid gebruik om namens het college van Gedeputeerde Staten een verklaring af te leggen als reactie op de rapportage van de onderzoekscommissie.
Voorzitter,
Het project OostvaardersWold was in alle opzichten een bijzonder project. Een project dat qua omvang zeker past in een bestuurlijk traditie van grote projecten die onze provincie rijk is. Een traditie die in zekere zin begin vorige eeuw al begon toen Cornelis Lely zijn plannen tot inpoldering van de Zuiderzee ondanks veel maatschappelijke weerstand in de Zuiderzeewet wist te vertalen.

Er zullen na de drooglegging van dit gebied niet veel projecten zijn geweest, die zoveel politiek bestuurlijke aandacht kregen als het project OostvaardersWold. Binnen maar liefst 3 colleges van GS hebben verschillende bestuurders zich met dit dossier beziggehouden. Van de kant van het Rijk waren er zelfs 4 kabinetten van verschillende politieke kleur intensief bij het project betrokken. Lange tijd was het kabinet onze enthousiaste supporter, en lange tijd kreeg dit enthousiasme navolging in Provinciale Staten. Lange tijd was er een flinke meerderheid in Provinciale Staten die het college aanspoorde voortvarend te werken aan de realisatie van de verbindingszone tussen de Oostvaardersplassen en het Horsterwold.

Maar voorzitter, de tijden veranderen. Nadat de gezamenlijke overheden in dit land zich decennialang hebben ingezet op behoud en beheer van natuur, met prachtige projecten zoals de ecologische hoofdstructuur, brak het nieuwe kabinet dat in september 2010 aantrad met deze plannen. De boodschap veranderde: het moet anders en het moet met minder geld. Dat leidde tot een bezuiniging van 70 procent op het nationale natuurbudget. Een bezuiniging die misschien door de meest vermogende provincies in dit land nog te compenseren valt, maar voor Flevoland direct desastreuze gevolgen had. De bezuinigingen in deze omvang waren door niemand voorzien. In de meest extreme varianten hielden wij en onze partners Flevo-Landschap en Staatsbosbeheer slechts rekening met bezuinigingen die de fasering van het project OostvaardersWold noodzakelijk zouden maken.

Door het regeerakkoord en de daaropvolgende vernietiging van het Inpassingsplan OostvaardersWold door de Raad van State, veranderde het project van een unieke kans voor economie en ecologie in Flevoland in een enorm bestuurlijk risico en zware rekening voor de inwoners van Flevoland. De voortvarendheid waarmee wij de uitvoering van dit project op verzoek van het Rijk ooit ter hand namen, keerde zich nu tegen ons. Nadat het project op een zo een ingrijpende manier in een ander perspectief kwam te staan, was het ook in de ogen van het college volstrekt logisch dat provinciale staten in mei dit jaar besloten de procesgang rondom het project aan een onderzoek te onderwerpen.

De uitkomst van dit onderzoek ligt vanavond voor ter bespreking. Het is aan Provinciale Staten om straks een uitspraak te doen over de uiterst zware conclusies die de onderzoekscommissie heeft getrokken. Als college hebben wij ons natuurlijk ook gebogen over de uitkomsten van dit rapport.

Laat ik beginnen om namens het college de onderzoekscommissie te complimenteren met het feit dat zij erin geslaagd zijn deze rapportage conform de planning en binnen het budget te presenteren. Gezien de enorme omvang, complexiteit en geschiedenis van het project is dit een prestatie van formaat. Het is duidelijk dat de commissie daarvoor belangrijke afwegingen heeft moeten maken. Vragen als hoeveel mensen en wie benader je voor een interview, en: hoe bepaal je met zoveel meters archief wat wel en wat niet relevant is? Wanneer ga je informatie nader onderzoeken of verifiëren, en: wanneer heb je voldoende zekerheid om desnoods harde conclusies te kunnen trekken? Kortom, ingewikkelde keuzes die de commissie niet uit de weg is gegaan.

Als college kregen wij het eindrapport van de onderzoekscommissie op het zelfde moment onder ogen als de leden van Provinciale Staten, namelijk 21 september jl. Aangezien de procedure niet voorzag in een bestuurlijk wederhoor vooraf, zoals dat bijvoorbeeld gebruikelijk is bij onderzoeken van de Randstedelijke Rekenkamer, is vandaag het eerste moment dat wij in de gelegenheid worden gesteld om voor Provinciale Staten verantwoording af te leggen.

Wij hebben uiteraard met veel belangstelling kennis genomen van de inhoud van het rapport. Alle collegeleden zijn of waren immers in meer- of mindere mate betrokken bij het dossier. Door deze bestuurlijke en persoonlijke betrokkenheid roept het lezen van dit rapport allerlei herinneringen op over onze eigen rol in het proces. Op grond van al die herinneringen zouden we het werk van de onderzoekscommissie op veel punten kunnen voorzien van interessante aanvullingen. Op een aantal onderdelen zouden wij ook tot wijzigingsvoorstellen komen die misschien een ander licht werpen op de door de onderzoekscommissie voorgestelde conclusies. Als college hebben wij zeer uitgebreid en diepgaand met elkaar gesproken over de manier waarop wij tot een reactie zouden kunnen komen.

Bij uiteindelijke afweging die we maakten, speelden een aantal zaken een rol.

In de eerste plaats, was dat het feit dat de commissie niet anders kon dan de feiten beoordelen met de kennis die we nu over het project hebben. Het college is van mening dat wij hier vanavond niet hadden gestaan als het kabinet niet was gekomen tot die abrupte beleidswijziging met betrekking tot de realisatie van de nationale Ecologische Hoofd Structuur. Met deze wetenschap van nu, is er veel aan te merken op de besluitvorming van Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten in de jaren voorafgaand september 2010.

In de tweede plaats, realiseren wij ons dat de rapportage is opgesteld door een onderzoekscommissie die breed uit Provinciale Staten is samengesteld. De commissie is unaniem tot een aantal conclusies gekomen. Alhoewel de leden van de commissie geen meerderheid vormen binnen Provinciale Staten, mag toch worden verwacht dat Provinciale Staten de rapportage daardoor zeer zwaar zullen wegen bij hun definitieve besluitvorming. Dit plaatst het college in een lastige positie als wij een uitgebreide inhoudelijke reactie zouden willen geven op dit rapport.

In de derde plaats, heeft de commissie ervoor gekozen om, in tegenstelling tot wat er over dit onderwerp in de verordening is opgenomen, het rapport in openbaarheid te presenteren voordat wij gelegenheid hadden om een bestuurlijk weerwoord te geven. Diverse partijen hebben inmiddels naar aanleiding van het rapport conclusies getrokken. Zowel regionale als landelijke pers schreven over dit onderwerp. Ook individuele Statenleden spraken zich uit over de door hen gewenste consequenties, voordat het college een reactie kon geven. Via de sociale media zijn inmiddels al vele conclusies getrokken en onafhankelijke deskundigen hadden in de media het wederhoor door het college niet nodig om een oordeel te komen. Dit alles heeft de beeldvorming over de handelswijze van de provincie in dit dossier zodanig beïnvloed dat naar de mening van ons college er weinig ruimte meer is voor een uitgebreide discussie over de inhoud.
Het college is van mening dat het nu vooral van belang is dat er rust komt op het dossier van de natuurontwikkeling in Flevoland. Onze provincie staat voor forse opgaven die vragen om een daadkrachtig bestuur die de opgaven voor de toekomst met gezag kan aanpakken. Dat bestuur moet daarbij kunnen steunen op een meerderheid in uw Staten om discussies zoals die nu zijn ontstaan achter zich te laten. Het college heeft in de huidige situatie geen positie meer om een open gesprek te voeren met de Staten over dit onderwerp. Dit is de reden dat wij besloten hebben om politieke consequenties te verbinden aan de door de onderzoekscommissie gepresenteerde rapportage.
Daarbij hecht het college eraan om te constateren dat bij de besluitvorming in het dossier OostvaardersWold binnen het college van GS altijd sprake was van collegiale besluitvorming. Het onderzoek heeft niet aangetoond dat er ooit sprake is geweest van individueel handelen van afzonderlijke bestuurders, noch dat afzonderlijke bestuurders ooit vitale informatie over het project buiten het college hebben gehouden.
Dat alles maakt dat het college van mening is dat er sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid. Op grond van dat gegeven deel ik u mee dat de vier gedeputeerden van VVD, PvdA, CDA en ChristenUnie hebben besloten met onmiddellijke ingang hun ontslag te nemen. Indien Provinciale Staten het wenst zijn wij bereid de lopende zaken af te handelen tot het moment waarop uw Staten een nieuw college heeft geïnstalleerd.
Voorzitter,
Ik dank u voor uw aandacht.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen