De afgelopen week schreef Peter Bootsma, sinds kort raadslid van D66, een essay over de recente collegevorming. Hij publiceerde dat op zijn weblog en op de Leidse D66 site. Ik voel me niet geroepen om hier uitgebreid in te gaan op zijn tekst. Zelf was ik immers slechts op afstand betrokken bij dit proces en bovendien heeft Gerda van den Berg, die namens de PvdA aan tafel zat, een uistekende reactie gegeven.In het stuk noemt Bootsma drie redenen waarom de PvdA niet in het huidige college zit. Het feit dat ik na de verkiezingen ben doorgegaan met de realisatie van de Morspoortgarage is er daar een van. Op dit punt wil ik graag reageren.
De gemeenteraad heeft na verkiezingen de mogelijkheid om een ongewenste ontwikkeling te stoppen. Dat kan ze doen door een besluit te nemen om zo'n ontwikkeling controversieel te verklaren. Ik weet dat de Partij voor de Dieren daartoe tijdens de onderhandelingen ook een voorstel heeft gedaan. Het is mij niet helemaal duidelijk waarom dat voorstel de raad nooit heeft gehaald, misschien moet de PvdD dat maar eens uitleggen. Tot die tijd moet ik raden.
Ik denk dat D66 ongelukkig was met het betreffende voorstel. Het zou immers de relatie tussen D66 en VVD/CDA als voorstanders van de Morspoortgarage flink verslechterd hebben. Dat kwam D66 niet goed uit omdat ze alleen met deze partijen een mogelijkheid hadden om de PvdA buiten het college te houden. Blijkbaar was dat voor D66 zo belangrijk dat ze de toekomstige realisatie van de Morspoort daarmee hebben geaccepteerd.
Dat de PvdA niet in het college zit vanwege de ontwikkeling van de Morspoortgarage is onzin.
Hiermee doet D66 een poging om te versluieren dat over dit onderwerp tijdens de onderhandelingen een deal gemaakt is met CDA en VVD. Iets waarvoor Peter Bootsma de schuld blijkbaar graag bij de PvdA wil leggen.




